De dakkapel was slecht geisoleerd en centrale verwarming ontbrak. Maar papa en mama sliepen er, en wij kwamen er zoeken naar verboden dingen die we vrijwel nooit vonden. Ik kwam er vooral voor Het Paard, dat donker en grimmig boven het bed van mijn ouders hing. Het stond zo hoog en ver op zijn dunne poten dat ik er medelijden mee zou krijgen als ik er niet zo bang voor was. Op zijn rug zat een mannetje, ver achterover gebogen alsof het geen ruggengraat bezat. De plaat waarop ze samen stonden afgebeeld was anderhalf bij een meter groot en ik vroeg me altijd af hoe mijn vader en moeder konden slapen met zoiets duisters als Dat Paard boven hun hoofd. Of ze niet net als ik zwetend gingen dromen van brons hoefgekletter en wanhopig gehinnik.
Dat ik het niet vroeg, kwam omdat ik wel begreep dat het Kunst was. Kunst was in ons gezin geen onderwerp van gesprek. Hooguit een onderwerp in papa’s hoofd. Hij schilderde en boetseerde en wist alles van Vincent van Gogh en een beetje over Paul Klee. Hij was overdreven bescheiden over wat hij maakte, en geen van de drie kinderen zou ooit de dag vergeten dat hij met een schilderij op een expositie hing, en hoe we er dwalend door de vele zalen urenlang naar gezocht hadden. Mijn broertje vond het uiteindelijk achter een enorme potplant. Mijn vader verborg zijn teleurstelling achter mijn moeders lach en sindsdien werd er definitief gezwegen over kunst. We hadden er de woorden niet voor, en hij kon of wilde ze ons niet lenen.
Jaren later vond ik Het Paard terug. Het steigert, jaar in jaar uit, in het Kröller Müller en biedt moedig weerstand aan hetgeen op zijn weg komt. Ik was onder de indruk, ik zag niet langer de duisternis maar juist de kracht en trots in het bronzen beeld. Later vroeg ik mijn vader wat er gebeurd was met de foto die ik vroeger zo stellig ‘schilderij’ had genoemd. Hij trok zijn wenkbrauwen op en zei dat hij het aan iemand had weggegeven, en ik wist waar ik die nacht van zou gaan dromen. Ik kon nauwelijks wachten.
Ik vertel mijn vader over mijn hereniging met Het Paard en hij lacht, blij verrast. Tegenwoordig geniet hij ervan als ik zijn wereld betreed. De wereld die hij altijd klein heeft gehouden omdat hij zich er alleen waande. Ik vertel hem niet langer dat ik zijn werk mooi vind. Ik vertel hem dat ik blij ben dat ik op hem ben gaan lijken. Maar ook dat ik soms bang ben om zijn catastrofale angsten met me mee te gaan dragen. Ik vertel hem niet dat het daar al te laat voor is.
Mijn vader werd geboren in een gezin in Arnhem, als jongste van drie jongens. Het Arnhem van de tweede wereldoorlog. Zijn vader mijn opa werd tot drie keer toe opgeroepen om te werk gesteld te worden in Duitsland, steeds weer liep hij terug naar huis. Ze verscholen zich met het gezin in een huis in de bossen, en daar was het waar zijn moeder mijn oma hem een groot deel van de negen maanden in haar buik droeg. De spanning die ze gevoeld moet hebben is rechtstreeks naar mijn vader overgedruppeld: het was geen reguliere stress, het was de angst van een manisch depressieve vrouw. Ze zou later nog meerdere malen opgenomen worden, ze kreeg electro-shock therapie.Lange tijd wisten ze haar vast te houden, tot ze de kans greep en zichzelf verdronk. In bad. Ze was 61.
Mijn vader wilde tekenen, wilde maken, maar mocht van zijn ouders onder geen beding naar de kunstacademie. Hij was een kind van zijn tijd en werd docent, uiteindelijk van dove leerlingen. Nu zijn oerkreet toch niet gehoord kon worden, probeerde hij in gebarentaal vorm te geven aan wat hij wilde zeggen.
Hij laat me een recent werk zien, en ik voel hoe ik de eerste ben die het ziet, de veelheid aan complimenten van mijn moeder ten spijt. We praten over een toneelstuk dat we samen zagen en ik herken nu zijn haperingen, de moeite die het hem kost uit het klein universum van de huwelijkse taal te stappen. Hij praat steeds meer, hij zegt steeds meer en ik ben bang. Bang dat ik hem te laat heb leren kennen. Dat hij me misschien had kunnen helpen, op mijn tocht.
Want ik heb lang gezocht en blijf ook steeds maar zoeken. Naar een luikje, voor de damp die afslaat van de woorden die binnen in me laaien. Steeds opnieuw sloeg ik zijwegen in die doodliepen zodra het vuur te weinig zuurstof kreeg. Tegen een leraar van de School voor Journalistiek bralde ik dat dit geneuzel daar toch zeker geen schrijven mocht heten, en aan de lerares Russisch meldde ik bloedserieus dat ik Russisch toneel wilde gaan vertalen naar het Nederlands. Het waarom moest ik haar schuldig blijven, maar wat moest ik anders doen met die taal dan haar veranderen in de mijne? Bij een auditie voor de toneelschool bekeken de docenten meewarig mijn acteerdriften, maar hielden niet op mijn toelatingsbrief van zeven kantjes te roemen.
Maar de nekslag die mij redding bood kwam van de directeur van de kunstopleiding die mij telefonisch aanraadde in geval van twijfel toch liever niet voor de hele opleiding te kiezen. Ik wist wat mij te doen stond en deed nog dezelfde dag mijn toelatingsformulieren op de bus.
En nu, nu zit er een redactrice van een uitgeverij met haar vingers te tappen op haar bureau. Ze wacht op me, zegt ze. Ik wil mijn vader bellen. Om te vragen hoe je faalangst verbeeldt.

